Bij de grote brand van 26 maart 1696, waarbij 34 huizen in de as werden gelegd, werd de kerk zwaar beschadigd, maar weer met voortvarendheid gerestaureerd.
In het begin van de Franse Tijd hebben onder leiding van het gemeentebestuur onderhandelingen plaats over de overname van de kerk door de Rooms-Katholieken, maar deze willen de kerk eigenlijk niet hebben, waarschijnlijk vanwege het vele achterstallige onderhoud. Begin negentiende eeuw komt de Gereformeerde kerk het gebouw wettelijk toe en blijft de toren bezit van de burgerlijke overheid.
In 1869 volgt een restauratie, mogelijk gemaakt door een door koning Willem III beschikbaar gesteld bedrag. In 1934 vindt de tot nu toe laatste restauratie plaats, waarbij de toren weer open wordt gemaakt naar de kerkruimte en ook de consistoriekamer wordt aangebouwd.
In 1996 werd gelijk met het 400-jarig gestaan van de gemeente, het 600-jarig bestaan van de kerk gevierd.
(uit: "Toren in de tijd", A.W. Berkhof 1996)